Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 336 )

Welk een luister omringt niet zelden de graven der koningen en helden dezer aarde ! Hoe dikwerf wordt niet de kunst, als het ware , uitgeput, om deze woonplaatzen des ftofs te verheren! Verrukt over zo vele vertoningen van pracht en kunst, nadert de verbaasde wandelaar, befchouwt en verwondert zich, en ziet als nog de heerlijkheid van den vorst, de dapperheid van den held, in het kunstig gebeiteld marmer als herleven, tot dat zijn zoekend oog, onder een reeks van hoogklinkendeeertijtelen, deze treffende woorden leest: Hic Jacet. '[Hier ligt hij. Ziet daar alles, wat van den magtigen vorst, den geroemden held, hier op aarde is overgebleven, in deze enge tombe befloten. Ijlings hierop ontfnapt eene zucht het beangftigd hart van den waarnemer. Helaas ! roept hij uit: zie hier dan het einde van alle aardfche grootheid en roem dezer waereld. De wormen knagen nu het hoofd, dat weleer eene kroon torschte; zij verteren den (terken arm van den oorlogsman, weleer zo gevreesd voor zijne vijanden; en wat zijn zij nu, wat anders dan een geringe hoop (lof, boven het, welke het wijdMtig opfchrift veel eer ter befchimping, dan wel ter verheerlijking dient, en het gene niet (trekt, dan om ons de nietigheid cn ijdel* heid van al het ondermaanfche, des te levendiger, te doen gevoelen ? Ja dus eindigt des menfehen grootheid in het graf, waar het (lof van den bedelaar zich , met dat van den rijken en vermogenden dezer aarde vermengt, en de roem-van dit leven wordt voor hem, zelfs onder de marmeren- grafzerk, uitgebluscht! Maar geheel anders was het met onzen verheerlijkten Verloslèr. Smert, lijden en verachting waren hier op aarde zijn deel, en weinigen Hechts kenden zijne waarde, en nog deze weinigen dorsten niet opentlijk daarvoor irtkomen. Menigvuldig waren daarentegen'zijne vijanden, en te vergeefs had hunne woede fteeds naar gelegenheid getracht, om Hem ten onder te

" bren.

Sluiten