is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanmerkingen over het zevende capittel uit het boek der godspraaken van Jesaia.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Jefaia VIL

ft

XLVI. vs. 2. De inwoonderen van Juda zig onderworpen hebbende aan Farao Necho, (zie 2 Kr. XXXVI. vs. i. —4.) haalde zig even daar door den toorn op den hals van Nebucadnezar den Koning van Babel, diefde Egiptenaaren in den loop zyner overwinningen hadden tragtcn te fluiten, zie 2 Kr. XXXV. vs. 21. Deswegens trok Nebucadnezar, wiens naam alles met fchrik vervulde, met zyn zeegenpraalend heir ten ftryde teegen juda, welks inwoonderen ondertusfchen al hun vertrouwen op Farao Necho , den Koning van Egipten , fielden. Deeze toog ook wcrkclyk Nebucadnezar met een magtig heir te gemoete aan de riviexe Frath; maar met dat ongelukkig gevolg, dat hy door Nebucadnezar in een hoofdtreffen geflaagen wierdt. Toen en eenigen tyd daar naa, wanneer naamelyk Nebucadnezar Egipten veroverde, ging het de Egiptenaaren en Mooren zoo, gelyk Jefaia voorfpeld had ; dat is , de Egiptenaaren en Mooren wierden voortgedreven en gcvangkelyk weggevoerd door Nebucadnezar, den Koning van Babel en Affyrien. Men zie Ezech. XXIX. vs. 13. en vs. 19. als ook kap. XXX. vs, 26. Men voege 'ec by kap. XXIX. vs. 10. en kap. XXX. vs. 4. en <(. Maar toen ging het ook de inwoonderen van Juda zoo, gelyk Jefaia voorzegd had. Zy verschrikten en wierden befchaamd van de Mooren,, «p welke zy zaagen , en van de Egiptenaaren, hunpen roem. 'Er valt geen twyffel, of fchaamte en fchrik beving hen, toen Farao Necho, die zig door zyn geluk en moed eenen grooten roem verworven had, hebbende zyne onderneeming teegen Carchemis dapper en yoorfpoedig ten uitE ^ ycss