is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanmerkingen over het zevende capittel uit het boek der godspraaken van Jesaia.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et)er Jefaia Vil. lij

jood zypde, als de moeder van den langvtrwagten Meffias worden aangezien, te minder, om dat hy zelf uit den huize en geflagte van David gefproten was. Dog dit te toonen, 't geer door de Joodcn om verfcheidene reedenen niel kon in twyffel getrokken worden, cn waar ovci onder dezelve ter deezer oorzaake geen gefchil geweeft is, is het heerfchend oogmerk althans van Mattheus niet. Het eigenlykft doel van den Euangclift is, de vervulling aan te wyzen van dat gedeelte der Profeetlien, waar door de naamgeeving van den gebooren Koning dei Jooden aan het huis van David wordt toegeëigend, voorfpellcnde, dat hoe veragtzaam ook de uitwendige gedaante weezen zoude , waar in de Meffias zoude tc voorfchyn koomen, nog• thans het huis van David aan den zeiven aanftonds by zyne geboorte den naam van Immanuel in den verheevenften zin van dat woord door het geloove geeven zoude. Het was dus, toen onze Heiland gebooren werdt, een weczenlyk vereifte van deszelfs Meffiasfchap, dat het huis van David hem zulk eenen naam gaf. Voornaamelyk behoorde zulks te gefchieden door Jofeph, Mariaas ondertrouwden man, die niet alleen zyne afkomft uit David reekende, maar die ook daarenbooven weegens zyne egtverbinteniiTe met Maria de wettige erfgenaam was van deszelfs Koningrvk (*), cn dus het hoofd van Davids huis. Het had geen zweem' van waarfchynelykheid, dat deeze regtveerdige

maft

(* ) Zie — T. H van den Honcrt ïn zyn vertoog van Kriftus afkomft uit David blada. 704. en vervolgens.

vs. 14.