Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G, E Z A N G E N. 23

Verruimingen, noch troost, hoe zoet, Aan 't nachtmaal toegediend; noch blijk van Jezus liefde ;

• Noch proeven van het heil, 't welk eeuwig juichen doet; Noch zonden-rouw, die hier wel eens het hart doorgriefde; Noch 't plechtigfte verband om- over hart en daad Te waaken; en om 't kwaad Te fchuuwen als de pest, beveilgen voor die benden, Die, in 't verzoekings-uur, verwoed mij vallen aan, Mijn fterkte is ras vergaan, Zoo geen- geduchter kracht mij haare hulp koomt zenden.

Gewislijk neen, genooten troost, Noch neiging van mijn hart, behoeden mij voor zonden;

Treed eens te rug mijn ziel l wat zegt gij ? ach ! gij bloost, Hoe vaak ontzonken u uw wel gelegde gronden. Hoe menigmaal, als God uw berg had vast gefield, Riept gij, 'kword nooit geveld! Maar ook hoe ijdel vondt gij vaak uw dwaas betrouwen? Betrouwen, door een waan van eigen kracht beftierd. Welk ftrijdknecht zegeviert, Die niet op God , maar op zijn moed en kracht gaat bouwen.

B 4

Sluiten