Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en V RO O M H AR T. 73

Ja merk zulk fterven aan als richterlijke wenken , Ter leering voor u zelf, van een rechtvaardig God,

WAERELDLIEF

Gij gaat mijn vriend ter fchool bij zoogenaamde fijnen,

Uw fpraak maakt u bekend, hun geestbeftuurd. uw tong; Dat volk zou gaarne zien, wat zij ook mogen fchijnen,

Dat al wat vrolijkheid en blijdfchap heet vergong ; Als ik zoo dacht of deed, vaarwel dan mlja genoegen!

Geluk had uitgedaan, beklemdheid, zorg en fpijt, Was dan mijn deel, neen vriend, nooit zal'k mij bij u voegen,

Het woord behaagd mij „niet ellen.dig voor den tijd." Eu wat ge ook denken moogt, ik kan het niet bevatten,

Dat gij en ik en wie zich nevens ons bevind, Zoo ongelukkig, zoo ellendig zijn te fchatten ,

Mijn waarde Vroomhart ik of gij zijt zeker blind. Ook belgt het mij dat ik het fchoonfte en eelfte wezen,

't Welk God gefch.apen heeft, zoo bijster zie gefmaad, Als't ijslfeijkst gedrocht, dat vloek en wraak moet vrezen,

Dat eeuwig waardig is van God te zijn gehaat. Waartoe die droomen dan? wat hebt ge toch bedreven?

't Is ver van mij te zien dat gij zoo fchuldig zijt 9 Wat is er toch verricht dat u voor God deed beven i Wel ftaat het dan niet vrij dat men zich eens verblijd? —

Es En

Sluiten