is toegevoegd aan uw favorieten.

Zedenkundige lessen, voor jongelingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 65 )

rijpen. De uitdrukkingen van Paulus nopens den wasdom des verftands zijn zaakrijk en kragtig: toen ik een kind was , zegt hij, (i Corintb. XIII; u.) fprak ik als een kind, was ik gezind als een 'kind, overleide ik als een kind; maar, wanneer ik een man geworden ben, zo bebbe ik te niete gedaan, 't geene eenes kinds was. Des hangt . . het van den toefïand , de oefening en verfijning van het geftel der werktuigen af, hoe de ziel werke. — Blijft de Dwaas een Dwaas, ziet men in iemand grootere Talenten en meer uitfteekende vrugten des geestes; dan moet men de bron dezer verfcheidenheid in een fijner of groffèr, in een wel- of ongeregeld fielzel der werktuigen zoeken. — Doch de beste mensch, wien de goed doende Natuur haare fchatten met volle handen toewierp, blijft ruw en onbefchaafd, wanneer hij niet door oefening bewerkt word. — Door de oefening ontwindt zig eerst het grootfte vernuft; door haar leert de mensch wél denken, de natuur van elk voorwerp, hem voorkomend , nagaan , fchijngoederen van wezenlijke goederen onderfcheiden; kortom, alle voorwerpen in hunne natuur, in hunne betrekkingen en gevolgen begrijpen. — Waarom tast menig Jongeling ao driftig na den toverbeker der wellust? Waarom E werpt