Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C "7 )

Ifevendheid de bron is van het grootfte en zuiverde genoegen; zo is de Nijd de rijkfte bron van onlust; — even als de liefde zig over elk geluk, dat dé mensch geniet, verblijdt, zo ondervindt de Nijd enkel fmerten. — De nijd is niet flegts pijnlijk, maar ook fmaadelijk: de aller onvolkomenfte en laagfte zielen geeven zig meest aan hem over, om dat ze de meeste gelegenheid hebben, anderen, met

grootere voorrechten fchitterende, te benijden.

Uit dwaaling en bekrompenheid des verftands is alles in hunne oogen groot en benijdenswaardig, daar het tog niet is. — Deze drift heeft nog dit bijzondere, dat ze niet verderft, vóór dat het gebeente bederft. Men kan jaaren lang beminnen, en eindelijk de kluisters weêr affchudden; maar de Nijd duurt eeuwig , waar hij eens wortelen heeft gefchoor ten. En juist daarom is hij de algemeene bron van ontevredenheid en kwelling op aarde. Deszelfs werkingen zijn haat, lastering, vcrraa* derij, vuiïdartige aanjlagen met de magere geftalte van hongersnood; met het vernielend vergif en de pest, en de woede des oorlogs.

Jongeling! verban den Nijd uit uwe ziel; want hij maakt niemand ongelukkiger, dan u zelf; gun uwen Broeder zijne voorrangen en zijn geluk, met F 2 de-

Sluiten