is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontleed- heel- en vroed-kunde gemaklijk gemaakt; of Algemeen handboek voor alle wond-artzen, vroedmeester en vroedvrouwen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van het Scheen- en Kmtken, enz. - ^

XVIIL HOOFDDEEL.

Van het Scheen- en Kuitbeen, en van de Kniefchyf.

V' WJAt vtKfiaat mm gemeenlyk door de Schinkel, VV of het Been?

A. Door het been verftaat men gemeenlyk de Tibia, en de Fibula, het Scheen- en het Kuitbeen , zy worden ook F mie Majus en Focile Minus genaamt.

V. Wat is het Scheenbeen ?

i ^'lH?fen lanS' hard> en vaft been; het heeft eene holligheid in het midden, en is byna driekantig, deszelfs voorfte en fcherpe kant wordt de fcheen genaamt: in zyn boven eind heeft het twee breede groeven, met kraakbeen bedekt, waarin de onderfte hoofden van het Dyëbeen worden ontfangen; het kraakbeen, dat de gemelde groeven bekleedt, is zacht en buigzaam, en wordt om zyn figuur Cartilago Lunata, Maansgelyk Kraakbeen genaamt; het loopt tuffchen de einden van de twee beenderen in, en wordt aan zyn rand zeer dun; ook dient dit kraakbeen om de kleine zydelindè beweging van de Knie gemakkelyker te maken. Aan de zyde van het boveneind heeft het een kleine knoes, die in een kleine groef van de Fibula, Kuitbeen, wordt ontfangen: onder de Kniefchyf, een weinig na voren, wordt nog een andere gevonden, waaraan de peezen van de uitftrekkers van het been worden ingeplant.

V. Is het ondereind van het Scheenbeen van dezelve grootte als het boveneind.

: A. Neen, maar het is veel kleinder, en heeft een groot ilitfteekzel,het welk den binnenften enklaauw maakt; ook maakt

het