Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDRIK, VRIJHEER VAN DER TRENCK. 213

reed, langs enen eenzamen weg, en digt bij Heerlen was, fisie mij een kogel voorbij de oren, welke ook ontwijfelbaar door Papen of hunne huurlingen op mij afgeichoten was.

Bij het klooster Schwarzenbrack , waar ik op de jagt was, loerden ook eens drie Dominicaners op mij, die zich achter een hek verliholen hadden: maar gelukkig kreeg ik 'er berigt van door één' van hunne collegen, die dikwijls met mij op de jagt ging. Ik was dus op mijne hoede; hield mijn' fnaphaan, die een' dubbelen loop hadt, in de hand; naderde de plaats, waar zij waren; werd hun gewaar, en riep

hun op een' fchrikbarenden toon toe: „Schiet,

j, fchurkenJ maar, fchiet gij mij niet dood, dan zal

„ ulieden de Duivel balen." Zij liepen alle drie

verfchrikt weg; één van hun haalde echter zijn geweer nog over; de kogel fnorde digt voorbij mijn hoofd heen, en raakte zelvs mijn' hoed. Toen fchoot Jk ook; één van de drie Hortte ter aarde; dezen droegen de anderen weg; bij was dodelijk gewond, maar werdt echter wederom genezen, en ging kort daar na met een' melkmeid door.

Met vergift konden zij mij niets doen; ik at nergens als te huis. Maar in het jaar 1774 werd ik op de* weg na Spa in het Limburgfche door acht ftruikrovers aangegrepen; het was regenachtig weder, mijn fnaphaan ftak in zijn' koker, en om het gevest van mijnen Turkfchen fabel was toevallig een fnoer gebonden, zoo dat ik denzelven niet fchielijk genoeg trekken kon. Ik moest mij dus met de fchede verdedigen: ik fprong uit den wagen, en floeg rondom mij allen die mij in den weg ftonden, zoo dat zij ter aarde vielen; mijn getrouwe jager befcherm.de mij van achteren; op deze O 3 wij-

Sluiten