is toegevoegd aan uw favorieten.

M.A. de Ruyter, in X. boeken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1I4 fVL A. DE RUYTE R.

Den wimpel van mijn fchip. Gebied als Admiraal: Voltooi in mijne fteê den roem der zegepraal. Ik hoop, zo ras mijn kiel herfteld is van haar rampen, Gelukkiger dan ftraks, den Brit aan boord te klampen.

De ruyter zeilt aan lij der Britfche watermagt, En boet de fchade aan touw- en mastwerk toegebragt. Wel ver dat hij den roem aan andren zou benijden, Nu hem de magt ontbreekt om voor 's Lands heil te ftrijden, Juicht zijn oprecht gemoed van blijdfchap, daar hij ziet Dat Englands trotfche vloot voor Neérlands Helden vliedt. Hoe ijvrig rept zijn volk de handen in 't herflellen Der zeilen, om terftond de Britten naa te fnellen! Men flut den ganfchen nacht in 't wangen van den mast. De ruyters vriendlijkheid verligt des arbeids last. Uw ijver, zegt de Held, zal zeker loon verwerven. *t Is waar, gij zaagt 'er veel van uwe makkers fterven; Dan hoe? Geen laffen dood: ö neen! op 't bed van eer. Als 't morgenlicht herrijst, wacht ons het ftrijdperk weer; En zouden we in den roem der Staatfche vloot niet deelen? Dan zagt! ik zie uw' vlijt. Zou ik u meer beveelen, U, die uw lust en heil in Neérlands welvaart vindt? 6 Neen! uw vlijt verrukt me. ' Elk uwer is mijn kind.

Een