is toegevoegd aan uw favorieten.

Proeve eener theorie der Nederduitsche poëzy.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERDUITSCHE POEZY. 123

-9, derzock des dichters, die niet alleen de voeten ,, zyner vaerzen op zyne vingers moet konnen „ tellen, maar ook de klanken en toonen met zy-

ne" (poëetifche) ,, ooren op het naauwkeurigfte

,, afmeeten." Eindelyk is hy met de ooren

van Pels , die mede zo veel ten opbouw van het vaerzenmaaken heeft gefchreven , geheel niet te vrede. Aldus uit hy zich: Is 't niet vreemd, I!!n ,, dat een meester als de Heer Pels, die" (poëetifche) „ooren aan 't hoofd hadt, en zelfs de mu„ zyk wel verftondt, hier echter, om te onrdce,, len of het verzuim der ruste in het leezen ftui„ te of niet ftuite , raad leeft , niet met zyn „ verftand, maar met zyne uiterlyke zinnen; cn, „ onder deezen weder , niet met het oor , maar „ met het oog, 't welk inderdaad niet de minste

kennis van vaarzen heeft?"

De Hollandl'che Spectator zegt mede: ,, Dc bè- Df „ kwaamheid van vaerzen te maaken is een ei„ genfehap der verbeeldingskragt , onderfteunt „ door ecu fyn en poëtisch gehoor.'" En L. Ten Kate, in het vignetje geplaatst voor zyne Aanleiding tot de kennis van V verheven deel der Nederduitfche fprale, heeft billyk twee ooren doen vcrtoonen , met het byfehrift : niet sonder De s e. : ■ Terwyl nu poëzy en taalkunde alzins hand aan hand gaan: ($. 96.) zo komt het by het vaerzenmaaken zeer op poëetifche ooren aan :

Ge

\z. C10. X l, bl.