Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234 VADERLAND SC II E

Ziedaar de natuurlijke oorfprong van den adel; zij ftrijdt dus niet tegen het recht der natuur, maar men kan zeggen, zij is, in het eigenlijk gezegde recht der natuur, onbekend, om dat zij de waare, de natuurlijke belooning is van een van die voornaame maatfchappijelijke deugden, die, buiten de maatfehappij, en in den ftaat der natuur, niet gekend, veel min. geoeffend kan wórden. Op dit voctfpoor voort redeneer rende, wordt het klaar, dat de adel, of die aanzienlijke onderfcheiding, welke uit bewondering, liefde, vertrouwen, achting cn eerbied voortsproot, oorfpronglijk alleen perfoncel was, en niet erflijk in het gedacht, doch even gelijk de liefde, welke verdienftelijke mannen van hunne medemenfehen genieten, zich veeltijds, zo niet altijd, ook aan hunne kinderen mededeelt, Vooral , wnnneer zij het voetfpoor van hunne braave ouders volgen, zo laat het zich alweder vrij gemaklijk begrijpen, dat de kinderen van zodanige aanzienlijke mannen f», (die beha]ven het voorbeeld, ook tevens de lesfen, en het onderwijs van hunne ouders genooten hadden) minder moeiten hadden, om zich in die achting ftaande te houden, dan hunne ouders gehad hadden, om dezelve eerst te verwerven: bij ijdere goede daad , welke zij verrichtten , al was zij zelfs zo roemruchtig niet , als dc daaden van

hun-

1 artes creanlur fbriitus.

Sluiten