Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C )

Aan het onderfcheid van bekeren (drinken) en bekee. ren, 't welk Moonen verder opgeeft, konden de Ouden niet denken, dewijl zij bekeren (voor drinken uit

een beker) niet kenden. Wij hebben het bij gene

Ouden aargetroffen: ook niet bij Kiliaan. De vraag zal dan rijfen, hoe moeten wij bekeren (zich tot God bekeren) fchrijven. Wij erkennen , dat men in lateren tijd met ee begon te fchrijven, gelijk Kiliaan ook heeft: doch de Ouden kenden die fpelling niet. De Ouden fchreveu kere — keren ~ bekeren, — en van daar het famengeftelde. Dat men naderhand met ee fchreef, kwam van daar, dat zij wel eens hadden bekeernen • zo als Maeel. Spieg. Hift. II: 113.

Om te bekeerne die fondaren.

Anders fchreven zij keren in het enkelvoudig werk. woord, zo wel als in de famengeftelde. Wij noemen maar een woord verkeren, 't welk ook van keren famengefteld is. Dit leest men bij Maeel. PI. II. Z), J5/. 116. Verkere. ——•

Dat bi hem verkere in brode (*).

Een ander voorbeeld geeft Moonen op, dat men beeken (van beek) fchrijven moet om hec van beken (beken toch wat tot uw geluk dient) te onderfcheiden. Insgelijks dat men beeving (hij heeft een beeving) moet fchrijven ter onderfcheiding van beving (de koude beving hem). — Hoe verregaande is dit, dat men regels zou moeten maken voor zulke menfchen , die uit het verband geen onderfcheid tusfchen een Jubftantivum en een werkwoord weten te maken' De Ouden kenden zulke fchrijiwijs ook niet. Kiliaan heeft niet eens beek: maar wel beke. Nooit ook fchreeft ene Oude anders dan — beke.

Even min dacht iemand aan de ee om beeving te fchrijven. Ktliaan, in wiens tijd de verbastering al J>eg£>n intefluipen, dacht er niet aan. — Hij heeft niet

anders

%Q pok heren V>lth, Sps BI. 234,

Sluiten