is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloskunde.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 236 )

DERDE VERDEELING.

OVER HET AANLEGGEN DER TANG, 1°. WAN• NEER HET AGTERHOOFD AAN HET REGTER EIRONDE GAT, EN HET VOORHOOFD AAN DE LINKER BEILIG-ZIT-BEENSCHE UITRANDING BEANTWOORD; 2°. IN GEVAL HET AGTERHOOFD ZICH TEGEN-OVER DIE UITRANDING, EN HET VOORHOOFD ZICH AGTER HET GENOEMDE GAT BEVIND; 30. INDIEN DE KRUIN VOLSTREKT OVERDWARS OP DE ONDERSTE ENGTE VAN HET BEKKEN IS GELEGEN.

Het vijfde geval waarin het aanleggen ■ 'der lang te-, pasfe koomt; en over de: wjzeomhet, hoofd in dit, geval af te' haaien. 1 (

( 1

t

j

1779. Indien de omftandigheden het gesruik der tang in die ligging van het hoofd vorderen, waarin het agterhoofd aan het reg:er eironde gat van het bekken beantwoord, noet men den fpildraager, denzelven in de inkerhand houdende, langs een of twee vingeren van de regterhand, welken men in de chede brengt, in eene fchuinsfche rigting, >nder het linker eironde gat, op de linkerzij, le van het hoofd des kinds aanwenden. Naar naate dat de lepel in het bekken nadert, doet nen het haaksgewijs uiteinde, hetwelk men n den beginne zeer hoog, cn naar de regter lije gerigt hielt, daalen, echter zoo, dat de

fpil,