Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VENERISCHE ZIEKTE. IV. BOEK. I. HOOFTST. giT

tig. Ze ontftaan voornamelijk aan het voorhoofd, flan den rand van het hair. Zomwijlen ftaat van de eene flaap van 't hoofd tot de andere een ganfche reije derzelve, die de venerifche kroon (corona yeneris,) genoemt word. Ook agter de ooren, om den mond, op het hoofd, aan de fchaamdeelen.» en aan alle hairige deelen van he: Jjghaatn treft men ze zomwijlen aan. (/3) Zemelachtige uitfiag. 'Er vertoonen zig zeer kleine , naauwlijks zichtbaare puiften, die fterk jeuken, kort daar op vervelt de opperhuid op di® plaats, 'er ontftaat eene nieuwe, die zig weder affchilt, en zoo al voort. Dusdanige uitflag ontftaat vooral dikmaals agter de ooren, in de hoeken van den mond en van den neus. (y) Hairworm en fchurft, die zig dikwijls van de gewoGne fchurft niet laat onderfcheiden.

De uitfleekzels der huid lijden al mede; bijzonderlijk de haairen en de nagels. De haairen van het hoofd vallen uit, en op die plaats groeijen geene andere, zoo lang de ziekte duurt; dikmaals ook naderhand niet, zoo dat de lijder zijn leven lang kaal blijft. Zelfs de wenkbrauwen, het hair van de baard en van de fchaamdeelen vallen zomtijds uit. De nagels worden ruw, oneffen, fchillen zig aan de wortel los, en vallen af»

Word de Venus-ziekte in dit tijdvak niet geïieezen, zop gaat zij tot hét tweede tijdperk Y 3 over,