is toegevoegd aan uw favorieten.

Geographische historie van den mensch en der alom verbreidde viervoetige dieren.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De MUI S. +Jfi

komen duidelijk voor uit het hair. De fnuit donkerbruin elijk de rug, welke echter daarbij geelagtig overlopen is. De zijden geelagtig , en om de/.elven een witten rand. De voeten zwartagtia;. De ftaart naauwlijks half zo lang als het lijf. Woont in het Oosteh'jk Siberien aan geene zijde van de Baikal tusfehen de klippen, alwaar zij haare met hooij gedekte nesten verfcheidene toegangen bouwt.

283) De WATERROT (*).

De fnuit zeer kort en dik. De ooren naauwlijks uit het vel voorkomende. Het lijf kort en dik. Korte beenen. De voeten fchobbig, hairiodoch de teeën zonder zwemhuid ; van voren vier' agter vijf teeën. De verwe boven op. Noorbruin , aan de buik in het geelagtig fpeelend. De lengte van het dier 6§ duim en van den graauwen ftaart drie duim. Men zie derzelver ürgeftfektheid ifte D. 2de St. p. 183 van deeze Geogr. Derk. De Heer Schreber reekend ook dé Mus Terrefiris Linn. hier bij.

284)

(*) Mus (amphibius") Cauda longitudine dimidia corporis auribus vix vellere prominulïs, palmis fabtetrachtétylis Pallas Glir. p. 80.

Mus amphibius & Mus paludofus. Linn. De Heer Pallas houd den laatften voor eene basterdfoort van den eerften.

Rat d'Eau. Buffon VII. Water Rat. Penn. Syn» p. 301. Schrei, Saugth. IV. p. 66S. Tab. 180".

Ff 3