Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

$ver de Opvoeding. I. Boek. 413

Zonder dit, zou alles nog erger gaan, en ons geflacht wil niet ten halven gefatfoeneerd zijn. In den ftaat waar in de zaaken thans zijn, zou een mensch, die, van zijn geboorte af, aan zich zei ven was overgelaten, onder zyne mede menfchen de wanftaltigfte van allen zijn. De vooroordeelen, het gezach, de. noodzaaklijkheid, de voorbeelden, alle de maatfchaplyke inftellingen, door welke wy overftroomd worden, zouden in hem de natuur verflikken, en

niets

nooit onder Piqueurs handen is geweest, en een naar da kunst gefnoeide boom zoo veel niet deugen, als een andere, die wild opgroeit. Want dit zal immers zyne Helling bewyzen , dat de mensch uit den eenvoudigen natuurmensen een wangedrocht vormt. Maar wie merkt niet, dat hetééne, gelijk het ander, grondvalsch is, wanneer hy onder het lezen flegts een weinig ftil ftaat en nadenkt l Intusfchen fleept de fraaye ftijl van Rousseau den Lezer gemeenlijk in diervoegen voort, dat hy tot geen ftil ftaan en nadenken komen kan. De uitwerking welke zeer veele plaatfen van Rousseau's werken by oppervlakkige Lezers voortbrengen, beftaat derhalven zeer ligt in het vormen van begrippen, waar in waarheid en dwaaling zich zoo fijn vereenigen, dat de eindelyke gevolgtrekking niet zelden den fchijn van waarheid aanneemt, fchoon zy eene in de daad even zoo groote als gevaarlyke dwaaling is. Ehleks. Resewitz.

Rousseau dagt hier misfehien byzonder aan de Engelfcha paarden met afgeftompte ftaarten, en aan de dwergen, reuzen, paauwenenz., uit Taxis gefneden, welke nog in zijn* tijd 'als het fleraad van onze fchoone tuinen en lusthoven wierden aangezien. Campe.

B 4

Sluiten