Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de Opvoeding. II, Boek. 27 j

ik door een voorbaarige drifc alles bederven zou, befloot het op een anderé wijs aan te leggen. Zonder iets te zeggen ftond ik op, en zogt den vuurflag, dien ik niet vond; ik vroeg hem die af, en hy gaf my dezelve over; vol vreugde van eindelijk over my te zegenpraalen. — lk fla vuur, ontfteek het licht, neem mijn kleinen knaap by de hand, breng hem bedaagd in een naastgelegen vertrekje, waar van de venfter-Juiken wel gefloten waren, en waar in hy niets breken kon; ik laat hem daar in den donker, doe de deur op het Hot (*), en ga weder in mijn bed, eender een woord tegen hem te fpreken. Men behoeft niet te vragen, of hy in 't eerst niet veel geraas maakte. Ik had my daar op gewapend, en liet my niet verzetten. Eindelijk hield het getier op. Ik luisterde, en hoorde dat hy ging liggen. Ik Helde my dieshalve gerust. 's Morgens met den dag kwam ik in 'tvertrekje, en vond mijn kleinen muiteling op een rustbed, ineen diepen flaap, dien hy na zoo veel vermoeienis hoog-

noodig hadt. Maar de zaak was daar mede niet ten einde. Zoo

haast

(x) Hier zien wy nu reeds het voorbeeid eener psdagogifche kunstgreep, welke niets minder was dan bloot ontkennende, en die Rousseau zich zelven evenwel veroirloofde. Wilde hy enkel negatif gehandeld hebben, dan moest hy ftil in zijn bed gebleven zijn, en hebben den kleinen guit alles laaten doen, wat by wilde. Misfehien was zulks, in het tegenwoordig geval, ook wel het beste middel geweest. Camee. Trap?.

S 2

Sluiten