Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebbeen. hoofdd. X: vs, 28, 29. 239

ingang te vinden , alhoewel op hunne perfonen niet altijd toepasfelijk is, 't geen zij

anderen, op deze wijze, voordragen.

Is het nu met de zaak zoo gelegen, dat alles, wat wij hier, en H. VI. aantreffen, plaats kan hebben in onherborene menfchen , dan volgt, -— voor eerst, dat wij hier aan

eenen eigenlijken afval kunnen denken.

Ten tweeden, dat, uit zulk eenen afval, niets befloten kan worden tegen de leer van onze Kerk, aangaande de volharding der Heiligen.

Van deze Uitleggers verfchillen, ten eene- utstx. maal, die genen , welke genoegzame gronden dan wel

... , 0 van was

meenen te hebben, om vasttefteflen, dat de gelovig Apostel, hier en Hebr. VI. geenzins op tijd- fl:reke? gelovigen, maar wel degelijk op waare gelovigen het oog heeft. — Dan, daar zij, echter, de leer van de volharding der Heiligen vasthouden, zijn- ze tevens van oordeel, dat Paulus niet'fpreekt van eene zonde, waar aan eenigen, in dien tijd, met de daad, zich fchubég zouden gemaakt hebben; maar, dat hij flechts een geval meldt, 't welk, buiten allen twijfel, Van 's menfchen zijde mogelijk was, en, als zoodanig, van de Hebreen, ter hunner waarfchuwing en opwekking, moest aangemerkt worden; doch, 't welk, de zaak

van

Sluiten