Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236 verklaring van den brief aan

De man , dien zij het gefchiktfte oordeelden , om hun , in deze verlegenheid van dienst te zijn, was Jefta, een onechte zoon van Gilead, doch die, wegens den haat zijner broederen, in Arabië zich neergezet hebbende, door verfcheiden ondernemingen tegen Israëls vijanden zich, als een dapper man, hadt bekend gemaakt. Men befluit dan, aan hem het oppèrgezag over Israëls krijgsmagt optedragen, ten einde zij, onder zijn beftuur, den Ammoniten het hoofd konden bieden.

Hij neemt dit, onder zekere voorwaarde, aan: gaat vervolgends, met veel beleid en dapperheid, te werk, en behaalt ten laatften eene heerlijke overwinning op deze vijanden zijns volks.

Doch waar uit is nu gebleken, dat hij den eenigen waaren God kende, en, in zijne verrichtingen, door het geloof beftuurd werdt? Wij moeten ons hier herinneren, 't geen te voren is aangemerkt, dat, in een tijd van diep verval, de openlijke erkentenis van Israëls God, een veel zekerder blijk was van een godvruchtig en gelovig gemoedsbeftaan, dan in een tijd, wanneer de belijdenis der waarheid tot eer verltrekt.

Hoe was het nu, ten dezen aanzien, met Jefta ? In zijne onderhandeling met Israëls

Oud.

Sluiten