Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over job VI. 8-14. 37

nood met peulvruchten, doch die zij voor eene laffe fpijze houden, en niet dan met zout gebruiken.

Hallumats enz.] Ik volg hier hezel. „ Barir, zegt hij, is de vrucht van zekeren doornachtigen, bitteren boom, Ar ach genoemd, die in Arabic, bijzoifder in Hidfchaz, overvloedig wast. De Arabiers gebruiken de wortelen en takken van dezen boom, nadat zij 'er de buitenfchors hebben afgepeld, om de tanden mede fchoon te maaken. De vrucht zelve zijn beziën, ter grootte van eene erwt, lafvanfmaak; eerst groen, vervolgends rood, en eindlijk zwart, wanneer zij droog en zachter zijn, maar niet eetbaar. — Hallumath is de naam van eene landftreek in Arabic , nog heden Halima geheten, alwaar deze boom bijzonder groeit." —

vs. 8.] Dewijl 'er geen troost, geene hoop van herftel is, wenscht de melaatfche vaak om den dood. — Dit is het geval van onzen Lijder.

VSi 9. Een einde — maaken.] Eigenlijk mijn levensdraad affnijden, de gelijkenis ontleend zijnde van eenen wever, die de webbe affnijdt.

vs. 10. Want 'nooit heb ik enz.] De dood zou voor job geene ftraffe, maar een einde zijner fmerten zijn; want als een oprecht verëerer van God, Godsdienst en Deugd, ziet hij voor het toekomende leven geen' onheil te gemoet. —

vu li. enz.] job befchouwt zijne ziekte en kwaal als ongeneeslijk, gelijk de ergfte foort van melaatsheid doorgaands is.

vs. 14.] Een vriend behoorde zijnen ongelukkigen vriend met medegevoel te vertroosten in zijne ram[C 3] pen,

Sluiten