is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechten van den mensch een volksboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den MENSCH. 219

maatfehappij afhangt, dan in zodanige, in welke de beftuurders, volgens ae conftitutie, recht hebben, om te gebieden.

En , gelijk geene burgermaatfchappij kan beftaan, zonder dat fin dezelve, door wetten bepaald zij, wat,in alle gevallen,en handelingen , voor recht en onrecht moet worden gehouden, en zodanige wetten eene verbindende kracht moeten hebben, zo volgt dat een lid van eene burgermaatfchappij, door zijne verbintenis, zijne oorfpronglijke afhanglijkheid van het recht der natuur en zedenkunde uitbreid, en dezelve met die plichten, die op hem, als lid van de maatfehappij, berusten, vergroot; hij is dus, door zijne verbintenis, afhanglijk geworden van alles, 't welk het welzijn van de maatfehappij van haare leden vordert.

Dus zien wij, dat de burgerlijKe verbintenis ook paaien ftelt aan de oorfpronglijke onafhanglijkheid , trouwens, het denkbeeld alléén van verbonden te zijn, ftoot reeds het denkbeeld van volkomen onafhanglijkheid om ver. Immers, zo verre men verbonden is, hangt men van zijne verbintenis af, zo v^rre heeft men zijne oorfpronglijke onafhanglijkheid op. offerd.

Ik zou dit, in veele ftukken, kunnen aanwijzen , dan laat ik maar één voor alle neemen. Door het burgerlijk contraél heeft men zich verbonden, om zich, in allen opzichte,aan de

vast-