Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228 GESCHIEDENIS

XIII.

DOEK.

belooft hy de vergoeding der rampen en den aanwas des geluks; beide eischt hy van de Staatsdienaars.

Wie zou het gelooven? Eene Wet, die door de Natuur zelve fchynt ingegeeven; die zich 't allereerst aan het harte van den regtvaardigen en goedwilligen mensch voordoet; die in het verftand geen twyfel overlaat wegens haare billykheid en nuttigheid: deeze Wet is, nogthans, zomwylen ftrydig met de handhaaving onzer Mantfchappyen; zy verhindert den voorfpoed der Volkplantingen, doet ze van het oogmerk haarer beftemminge afwyken, en baant van verre den weg tot haaren val en ondergang. Wie zou het gelooven? Het is de gelykheid der verdeelinge tusfchen de Einders of Mede-Erfgenaamen. Deeze Wet, zo natuurlyk, ftaat op het punt om in Amerika te worden afgefchaft.

By de oprigting der Volkplantingen was deeze Wet noodzaaklyk. Onraeetelyke landftreeken moesten ontgind worden. Kon dit gefchieden zonder inwooners? en hoe konden, zonder eigendom, in deeze afgelegen en woeste oorden, menfehen gevestigd worden, die, voor het meerengedeelte, hun Vaderland om geene andere reden hadden verlaaten, dan uit gebrek aan eigendom? Indien de Regeering hun landeryen hadde geweigerd, zoude deeze Gelukzoekers dezelve, van klimaat tot klimaat, gezogt hebben, met het wanhoopig voorneemen, om Bezittingen zonder tal op te regten, geene van welke die

vas-

Sluiten