Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over. i. JO H. III: 18. 1Q5

Ondertusfchen wil ik zulke liefde tot den evenmensch niet aanprijfen, als men in deze Sentimentele dagen wil beoefiend hebben. — Men moet toch, wil men, geen ongelukkigen zien, of men moet met hem treuren, en hem redden. Geen kind moet een' enigen armen voorbij laten gaan zonder hem een rijkelijken penning , ja ! wel al wat Hij bij zich heeft, te geven. — De redelijke menfchen liefde doemt zulke overdrevene zotheid, waar van de huichelende fchurk doorgaans het grootfte voordeel trekt, terwijl de ware behoeftige, die in het verborgen zucht, van gebrek kwijnt. — De ware menfchenliefde laat zich door de Reden beftieren, om eerst wel te onderzoeken, wie warelijk behoeftig is. — Dit is het zelfde geval, wanneer men uit gelijke beginzels aan alle menfchen vriendfchap bewijst. Ook tot zulk een üiterfte moet de menfchenliefde niet gedreven worden. Allen moet men juist niet in den kring der Vrienden rekenen, en als zodanig behandelen. Wij zijn toch aan onzen vriend meer verfchuldigd, dan aan elk anderen mensch. —~

Imtusfchen — laat ons onze Naasten liefhebben , niet met den woorden, en de tonge: maar met de daad, en waarheid!

Daar toe hebt Gij — ware Godzaligen ! lust. —

Ik moet U waarfchouwen tegen zeker foort van menfchen, die zich onder U mengen, en intusfchen ten fterkften de liefde tot den Naasten krenken. Ik bedoel menfchen, die zich beroemen in N a God-

Sluiten