Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE VRAAG S. igö

bijzondere zonde van Adam, eene oorzaak van ons verderf zijn; omdat er geene meerdere genoegzaame reden voor bet eene, dan voor het andere is. Het laatfte verwerpt de reden, als ongerijmd, derhalven ook, met even het zelfde recht , het eerde.

Men kan zich daar uit niet ontwikkelen, door eene zekere Natuurwet, hier valschlijk toegepast, tegen de Reden: Dat, naamlek, gelijk zijns gelijk voordbrengt; dat iemand aan een ander niet geeven kan, 'p geen bij zelf niet heeft. Want zulk eene Wet, zoo ze aanweezig is in de natuur, ziet alleen op de natuuriijke geiijkfoortige wezens en zaaken; maar niet op het zedelijke. Anders zoude men in de Natuurwet tegen elkandercn regelrecht drijdende wetten vinden, (verg.lijk bladz. 185.) die eikanderen vernietigden. En dit is ongerijmd.

Wel toegepast, zoude zulk eene Wet, indien ze op het zedelijke zag, zelve vorderen, dat Adam, die volmaakt recht van God gefchaapen was, en wij in hem; die eene volmaakt reine natuur, ook voor ons, van God ontvangen had; ook die natuur, wat hij als een bijzonder perfoon voor zichzelven doen mogte, zoo ongefchonden aan ona moest overleveren. Te meer, daar de Reden zelve dit als moogelijk zal erkennen, en de ervaarenheid de waare bedaanlijkheid der zaak overtuigend bewijst. Zoude God, zonder dat daar toe eene

bovennatuurlijke voordteeling noodig ware, bij onze ontvangenis en geboorte, daar Hij de Formeerder onzer lighaamen is, niet kunnen zorgen, dat onze lighaamen van alle ongeregelde wanorde ont-

he-

Sluiten