Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

504- V E R K L A-A RING VAN DE

ken. God geefc elk mensch zijn werk en beezig; beid in zijn leven; dit kan , dit moet God alleen doen, en elk mensch is daar aan onderworpen. — dat God alken een oppermoogend recht en gezag heeft over de verdeeling der t'jden, en beezigheden, .van 'smenfchen levensdagen, om daar in bepaalingen te maaken , en den menfchen te zeggen : Ik wil * dat gij deze en die dagen en tijden van uw leven tot dit, of tot dat werk, tot deze of tot die beezighcid, afzondert; en dat de mensch in. dezen van God zoo afhangt, dat hij zich, in het regelen en verdeelen zijner beezigheden in zijne leyensdagen, naar Gods wil alleen fchikken moet. Of zou de mensch hier van alleen de befchikking en befteiling naar welgevallen hebben? is dan de mensch in eenig ding onafhangelijk van God? is hij dit vooral in die gewigtige zaak, de verdeeling zijner tijden, en der beezigheden zijnes levens? — — dat God derhalven een oppermoogend gezag en recht heeft, om den menfehenkinderen, in alle tijden, zijnen wil te terklaaren — eensdeels, over de fchikkingen in het getal der dagen zijnes levens, bij eene geduurige omwenteling , met wederkoomende tusfehenpoozen van rust, en hem te gebieden: Zoo veele dagen wil ik, dat gij telkens achter den anderen, aan uw gewoon beroep en beezigheid, welke God u te doen geefr, naarstig zult toewijden; doch op dien dag zult gij daar Van rusten,en denzelven tot andere beezigheden afzonderen. Zou dit ook niet altoosduurend den mensch verbinden ? vooral , als God dit reeds bij de Schepping hem verklaard had? — eindelijk, dat

hot

Sluiten