is toegevoegd aan uw favorieten.

Historie der wiskunde.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3ej HISTORIÉ der

vaftige waarneeming of ondervinding gegrond is, zoo men de twyffeling verder dan de Sceptici moeten laaten gaan, om ie weigeren dezelve toe te ftaan; want deeze Wysgeeren ontkenden de voorvallen en ondervindingen niet. Empiricus, die de waarheid der algemeene kundigheden van de Meetkunde weigerde te erkennen,nam nogthans aan dat deel der Sterre-Voorzegkunde, welks onderwerp is de ongeftadige beurtwisfelingen der jaargetyden te voorzien, om dat hy geloofde, dat hetzelve op de Waarneemingen der Stcrrekundigen geveftigd was.

De fmaadredenen van Ariflippus tegen de Wiskunde, de kleinachting welke Epicurus en zyne aanhangers voor dezelve hadden , zullen van weinig belang zyn by die geenen, welke deeze perfonaadjen kennen. Men behoeft niet verwonderd te zyn , dat Weetenfchappen, welke eene fterke infpanning van geeft vorderen, eenen WeUuftigen als den cerften mishaagd hebben; de vermaaken welken zy geeven kunnen, vermaaken welke alleen de Ziel aandoen , zyn niet van de natuur dergeenen, waar in hy de gelukzaligheid deedt beftaan (r). Wat aangaat Epicurus, wien men ten onrechte eene zo onbefchaafde Zedeleer zoude toefchryven, eene andere beweegreden deedt hem de Wiskunde verwerpen; deeze was de onbeftaanbaarheid van zyne leeringen met de waarheden , welke in dezelve geleerd worden. In der daad, wat Wiskundige zoude hy overreed hebben, dat de Zon niet grooter dan zy ons toefchynt, of zelfs nog kleinder, kondc zyn; dat de Zon- en Maan-Eclipfen, de ondergangen der Sterren, misfchien te weeg g^bragt werden door eene geheele uitblusfching van haar licht, dat by haaren opgang weder ontfteeken werdt, enz. Zodanig was de Natuurkunde van Epicurus; eene Natuurkunde die een zodanig waardeerder dtr Wiskunde wel waardig was. Ook befchimpt Cicero hem op meer dan eene plaats, onder anderen op de eene (u) , alwaar hy zegt, dat hy hem zonder moeite, en zonder zynen eed noodig te hebben, gelooft, wanneer hy voorgeeft

nooit

(7) Diog. Laerr. in Ariliipp«.

C«) De finib. bon. ö? mal. hb. i. J. 7.