is toegevoegd aan uw favorieten.

Zaaklijke verklaaring van eenige uitgezochte schriftuurplaatsen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£24

j e ii e m i a s II. vers 31.

O! gejlachte , aanmerkt [tochj gijlieden des HEEREN wobrci Ben ik Israël eene woestijne geweest ? of een land der uiterfle donkerheid t waarom zegt [danj mijn volk: Wij zijn heeren, wij zullen niet meer tot u koomeu?

düjoo meenigmaal ik deze Godiijke aanlhraak aan het Joodfche volk lecze , in verband met al het voorige en volgende , in de geheele leerrede van God tot dit volk, door den mond van Jeremias; wordt dezelve mij fteeds voortreffelijker en aangenaamer, wegens het fchoone en overtuigende, het geene ik al meer en meer daar in befchouwe. Dezelve is eene leevendige fchilderij van Gods handelingen, in genade, liefde, en goedgunstigheid jegens dit volk; tevens van zijne rechtvaardigheid, en de billijkheid zijner ftraffen, over een volk, dat zulk eenen genadigen God, in zijne mcenigvuldig

aan