is toegevoegd aan uw favorieten.

Zaaklijke verklaaring van eenige uitgezochte schriftuurplaatsen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mmm

I

JEREMIAS II. VS. 31»

Üitfpraak alleen openbaar te maaken. Doch dit is. thans mijn oogmerk niet.

Het eerde dat ik hier opmerke, is, de Godiijke dagvaarding, als 't ware , van dit volk voor den rechterllocl van de geheele wereld, en al het gefchaapene in het gemeen, en van hun geweten in het bijzonder ; om, zonder eenige bewimpeling , rondborstig en openlijk tegen God te betuigen, cn aantetoonen, of er ook in Gods gedrag en handel met hun , zelfs in tijden van hunne booze weder dreevigheid, iets te vinden ware, het welk hun billijke oorzaak en reden van klagten over den Heere geeven konde, of ooit gegeeven had. Dit vinde ik in die naïve uitdaaging Gods: 01 geflachte, aanmerkt gijlieden des Heeren woord. Ben ik Israël eene woestijne geweest ? of een land der uiterfte don- , kerheidï

Leeze ik deze woorden in verband met de voorigen, zoo verfpreidt zich een aangenaam licht over , dezelven. God heeft te vooren, in deze Godiijke leerrede, hen als uitgedaagd, om te toonen , of ( Gods gedrag jegens - hunne vaderen, hun ooit billij- j ke redenen gegeeven had, om zich zoo fchandelijk j en godloos omtrent Hem te gedraagen, gelijk zij ( gedaan hadden. God had hun, ten tegendeel, niets , dan overvloedig goedgedaan; maar zij hadden dit t ten hoogden ondankbaar beandwoord, cn zich uicer- ^ maate godvergeetend omtrent den Heere gedraagen. j. Het welk niet, dan met verontwaardiging, konde ij herdacht worden, vs. 4-8. Dit was de reden, dat de Heer hun ditmaal dit gedrag hunner vaderen her- ^ innerde, als zoo fnood, dat er zelfs bij de blindde

en