Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEF aan de HEBREËRS. 149

ons, al wil men zijn Apostolisch gezag niet erkennen,ten minften die gedachten inboezemen , dat naar de denkwijze van den fchrijver , en van hun, aan wien hij dezen brief fchreef, in' dezen Pf. van den Mesfias wordt gefprookcn: hij had anders altans de fcherpfte tegcnfpraak en verwijting van ontrouwe of onkunde te duchten.

Derhalven, wanneer men flechts aan kan toonen , dat er, ten aanzien van het beloop van den hier aangehaalden Pf., geen ongerijmdheid in is, om de'door Paulus gebruikte woorden van den Mesfias te verftaan , dan moet men dit bewijs van onzen fchrijver voor voldoende houden.

Bezichtigen wij dan eenige weinige oogenbiikken dit H. Dicbtft.uk.

Wij kunnen zeker niet juist bepaalen, welke omftandigheden de aanleidende oorzaaken tot het vervaardigen van dit gebed aan deszelfs Dichter geleverd hebben. Verfcheidene Uitleggers hebben hunne kragten beproefd, om desaangaande onderftellingen te maaken, waar door men meende aan alles het beste te kunnen voldoen, dan ik zal mij in dit uitgebreide veld , welks door wandeling te veel tijds zou vereisfehen, tans niet begeeven (*>

Het

f*) Noch de bedoeling van dit gefchrijf,noch mijne keuze, dulden ook ter dezer plaatfe eene brede optelling, van de bijzondere ftellels naar welke men dezen Pf. verklaart, die daar roe lust heeft kan dezelve vinden bij den Hoog Kerw. c, de wit . in de voorbereidztls voor 's Mans yetkUmring raa deztn Pf. biadz. 17—36".

K 3

hoofdst.

I. vs. 10. Eu gij Heer hebt in het begi 1 de aardo gegro.id, en de Hemelen zi'n de werken uwer ha.irien.

Sluiten