is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALWEETENHEID. IX. Verh. 231

§. XXXV. De opgenoemde Eigenfchappen van' God, overtuigen ons dus van zyne Alweetenheid>, die wy insgelyks ook uit aanmerking van de overige Volmaaktheden Hem moeten toeëigenen.

Want ftelt men dat God een Geeft is, men ftelt dan teffens ook, dat Hy een Veritand bezitte,zodanig als het aan eenen Oneindigen Geeft toekomt, een Alweetend verftand, namelyk. — Hierdoor, in het kennen van alle dingen uit zich zelven, werkzaam, bezit Hy het volmaaktfte Leeven, dat geloochend zou worden, indien de Alweetenheid

ontkend wierd. Zyne fVysheid, zal niemand

kunnen (taande houden, die aan de Alweetenheid twyfelt. Want de natuur en hoedanigheden der dingen moet Hem bekend zyn , zal Hy daarvan zich bedienen, om ze als middelen tot zeekere einden te doen (trekken , en het eene aan het andere ondergefchikt doen zyn. —-— Zyne Almacht zou ook buiten zyne Alweetenheid niet kunnen beftaan, want zonder kennis en verftand de macht te oefenen , zou een ongeregeld en wanfchikkelyk werk uitleeveren, en van de uitwerkzelen van verftandelooze werktuigen , die alleen in de bewee-ging beftaan , weinig verfchillem - Kan de

Vryheid nooit geoenend worden, daar geen keur tuffchen twee of meerdere onderwerpen plaats heeft, en onderftelt deeze kennis van zaaken, van „derzelver hoedanigheden , waardoor ons het eene bekoort, en tot de bepaaling der keuze overhaalt, terwyl wy het andere vaaren laaten, dan moet men ook, om Gods Vryheid (taande te houden, Hem, P 4. de

/ervolg 'an dit 'ertoog.