is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALMACHT. XI. Verh. 447

mogelyk is , dat nooic een voorwerp van eenige macht, hoedanige die ook zyn mag, kan zyn. En zy, die vreezen, dat Gods Almacht te naauwbepaald werde , wanneer men ftelt, dat zy tot het onmogelyke haar niet uitftrekt , moeten zich het niet, en het onmogelyke, als iet voordellen, dat echter enkele en ongegronde fpeelingen der inbeelding zyn. Waarby , door de al te fterk gedreevene wilkeurigheid van de weezens der dingen, alles in twyfel getrokken, en alle gronden van zekere kennis tot onzekerheid gemaakt worden: waardoor het waare begrip van de Almacht, dat men verheevener wilde uitbeelden, zeer verlaagd, indien niet geheel omverre geftooten wordt. By voorbeeld, dac iet te gelyker tyd zoude zyn, en niet zyn. " Want een vermogen om te maaken, „ dat iet is , zoo dat het niet zoude zyn, terwyl „ het is, beteekent niecs, om dac zoodanig een „ voorwerp , indien hec niec is , niets is, en zoo „ iet te maaken, zou zyn niets te doen, en zulk „ een vermogen gevolgelyk niets te beduiden heb„ ben. Zoo kunnen wy insgelyks niec zeggen, ,, dnt de Goddelyke kracht kan te weege bren„ gen, dat dezelfde zaak zoude gemaakc, en niet ,, gemaakc zyn , en dac het geene het welke ge„ weeft is, niet zoude geweeft zyn; Want eene „ kracht, die eene zaak maakt, zoo dat ze niet ,, gemaakt zy , en te weege brengt, dac iec ge„ weeft is , zoo dac hec niet geweeft zy, doet „ niets, en is dien volgens geene kracht. "

(d) Van