is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

448 OVER GODS

<jd) Van dezelfde natuur zoude het ook zyn, tè maaken , dat een geheel niet meer was dan zyne" deelen, dat een getal teffens gelyk of ongelykwas, dat een ligchaam zonder uitgebreidheid was, of gelyktydig op meer dan eene plaats zou tegenwoordig zyn, of dat de ftof zou denken, en wat dies meer is. Dingen van die natuur zyn op en in zich zelven onmogelyk , zy hebben geen weezen, en zyn daarom in den volftrektften zin een niet, zy behelzen, gelyk wy het in de befchryving uitdrukten , geen zaakelykbeid. (e) Daarvan heeft het eeuwig Verftand van God , fchoon Alweetend, geen denkbeeld , dat ondertuffchen is de eerfte grond van alle mogelykheid, de eerfte en oneindige bron van alle weezens , zoo dat indien 'er geen God was, 'er ook niets mogelyk zoude zyn. Bygevolg kan ook zoo iet , dat geen voorwerp van Gods Verftand is, of waarmeede geen denkbeelden in Gods Verftand overeenftemmen, (die men als het oorfpronkelyke moet aanmerken, waarvan de dingen die beftaan , afdrukzels of kopyen zyn,) geen voorwerp van Gods Wil, of van zyne JVlacht zyn. Dat wy te meer genoodzaakt z?n te ftellen, dewyl de weezens der dingen eeuwig en

on-

(d) Tillotson f. c. 612. die meer voorbeelden aanhaalt.

(è) Diftingui a Metaphyficis inter nibilum negalïvum et privativum notum eft. lllud , quod & non ens diütur, ejusmodi eft , quod ene nequit ; hoe vero ejusmodi eft, quod tametfi non fit, ene tarnen poteft , feu cujus efle nullam involvit coutradictioiiem. lllud hit in cenfum veuire, non vero boe, quivis tacile videt.