Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A L M ACHT. XI. Verh. 51Q

1

den tot de zaligheid, God moer den moeden kracht geven , en de jlerkte vermeenigvuldigen den geenen , die geen kracht hebben. Zy moeten den Heere voor hunne fterkte houden , en in zyne mogenheeden gaan. Moeten zy hunnen vyanden, waarvan zy ligtelyk toe vallen gebragt, en overwonnen kunnen worden, tegenftand bieden, kloek, moedig en dapper beftryden , om ze te overwinnen , waartoe in hun geen kracht is, dat is hun voorrecht , dat de Heer zyn volk fterkte geeft, doet dry den den goeden dryd des geloofs , doet ftaande blyven, en de overwinning behaakn. Hun koning en rotsdeen, die hunne handen onderwyd ten dryde, ende hunne vingeren ten oorlog, trekc voor hun heenen, in zyne kracht, en als de doorbreeker aan de fpitze, en voor het aangezicht van zyn volk,die de verloffingen gebiedt, ende heerlykheid van hunne derkce is, in en door welken zy alles vermogen, wanneer Hyhun kracht geeft: Hy is een fchild hunner hulp, ende een fweerd hunner hoogheid, de poorten der helle zullen hen niet overweldigen: Zy zullen niet verlooren gaan, niemand, hoe machtig en geweldig ook,zal Hem een eenig zyner fchapen uit de hand rukken: veilig zyn zy gezeten in de fchuilplaats van den Allerhoogften, en vernachten in d&fchadtm van den Almachtigen.

$. XL1. Wordt dus Gods Almacht in de bewaaring van zyne gundgenooten verheerlykt, zy ontdekc zich ook in eenen beminnelyken luider1 door hen in de heiligmaaking te doen voortgaan, K. k 4 hen

In in tronie heVignaking.

Sluiten