Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALMACHT. XI. Verh. 521

rende dat God fterk van kracht is, dat niemand, die tegen Hem zich verhardt, kan vreede hebben. In tegendeel zyn zy beluft om dat alles te betrachten , dat Hem welbehaagelyk is , waarop zy de hoop mogen hebben, dat de Almachtige met hun, en voor hun zal zyn. En deeze zyne Volmaaktheid is de voornaamfte beweegreden, om Hem te vreezen, gelyk Hy zelve in zyn woord, uithoofde van deeze , daarop aandringt. Ik ben , zeide Hy tot Abraham, GOD de ALMACHTIGE, wandel voor myn aangezicht, en wees oprecht. Gen. XVII. 1. Zullet gy lieden my niet vreezen, ende voor myn aangezicht beeven, die Ik der zee bet zand tot eenen paal gefield heb, met eene eeuwige inzetting, dat ze daarover niet zal gaan. Jer. V 22. Dus zeide ook de Grootfte en gecrouu we Leermeefter van onzen plicht. Ik zal u toonen , wien gy vreezen zullet , vreezet dien, die na dat Hy gedood beeft , ook macht heeft in de helle te werpen: Ja Ik zegu, vreezetdien.LvK. XII. 5.

Ook zyn zy betamelyk omtrent de Almacht werkzaam , wanneer zy, met indrukken van dezelve bezield, en onder gevoelige overtuiging van hunne eigen zwakheid, derwaarts hunnen toevlucht neemen , om hulp en fterkte tegen hunne vyanden, om kracht en bekwaammakende Genade tot hunnen plicht te zoeken: wanneer zy by en van Hem door ernftige en ootmoedige gebeeden zoeken, het welke Hy als de Almachtige alleen geven kan: wanneer zy in hunne gebeeden op Gods Almacht K k 5 aan*

Sluiten