is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

250 OVER GODS

Het blykt hieruit , dat Gods Alomtegenwoordigheid volftrekt nietgem.en hebbe met eene uitgebreidheid : onder dit denkbeeld mag men zich deeze Eigenfchap niet vóórhellen , noch ook dezelve als eene mede-uitgebreidheid beneven, of naaft de ligchaamen begrypen , het welke eene grootfte dwaaling zyn zou, die een ligchaamelyk begrip van het Opperweezen ftellen , tegen zyne Geeftelyke natuur , zyne Eenvouwigheid aanloopen , en oneindig veele deeltjes en zamenfteilin-

gen influiten zqu. Om dezelfde rtden is

het ook onbetamelyk, dat men zich deeze Eigenfchap op de eene of andere wyze onder de gedaante van uitvloeizelen voorftelle, of door geiykenhTen van natuurlyke dingen , en voornamelyk van de zon , die opheldere. Want deeze haare ftraalen uitzendende doet eigenlyk daardoor haare ftofFelyke deelen onder eene geltadige beweeging

verfpreid worden. Ook blykt uit het bo-

venflaande, dat het vreemd en onnodig is, Gode eene Overaltegenwoordigheid toetefchryven voor de Schepping van 't Heel al : want deeze wordt vooronderfleld, wanneer men zich deeze Goddelyke Eigenfchap voorfielt , vermids zy eene betrekking niet Hechts op dingen die mogelyk zyn,

maar

tum expreflit Cl. Bilfinger , qui * quando omnipraefen„ tiam Dei cogito , ait, cogito diffmcte Omnifcientiam „ ejus et Omnioperaticmem. Quae ex iïis confequitur „ indlftanUa lübltantialis , eam diftincta ab his notione „ non concipio : certiffimam vero illum efle ex utroque, „ Ulo charactere ijüero. " Diluc Pbüoj*.%. 455.