Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138 Samenteelige Heesters.

III. Afdeel.

xvii. Hoofdstuk.

11.

Otbmna Tageies.

Fynbladi ge.

ra.

TtSir.ata, AlsibLciigp.

(a) Othonna met Liniaale gevinde, eenigermaate getande Bladen.

Deeze Soort, naar de 'Fluweelbloemen gelykende, munt uit door haare kleinte en fynbladigheid. De Steng is Draadachtig en bogtig ; de Kelk Bekerachtig, aan den Mond met ongevaar veertien Tandjes , en zy heeft veele Straalblommctjes.

(3J Othonna met de Bladen Finswyze in lan' ge fmalle Slippen verdeeld.

Door Commelïm is deeze als een medeSoort van Jacobasa aangemerkt, en, zo als dezelve in de Hortus Medicus uit Zaad was voortgeteeld , befchreeven. De Steng is een Vinger dik , met Lidtekens der Bladen, en veri'preidt zig in gryze Takken , met Bladen naar die van de Kroontjes draagende Alst gelykende en grys. Uit het end der Takken komen Steelen voort met een groote geele famengeftelde Bloem , en daar op volgen gepluisde Zaadjes. De Reuk der Bladen , zegt hy, is als die van 't Loof der geele Wortelen en de Bloemen ftinken.

(4) Ot-

(%) OiioKtia Fol. Linèaribus pinnatis fubdentatis. Tagete* minimus tenuiter divifo Folio. Breyn Predr. II. p. ioi.Chryfanth. Afric. pum.luin &c RAJ. Suppl. 212.

(3) Othmna Fol. p.nnatifidis, Laciniis Linèaribus paralle. lis. H Cliff 4.19. R. Luidb 179 MlIX. Ditl. T. 194. f. 2. Jacobxa Africana Frutescens Fol. Abfyntb. umbelliferi incanis, COMM. Hort. II. p. 137- T. 69. /3. Jacobaia Abfynthites, $oaieut.ofis Cinerarix foliis, Ethiopica. Pluk. 4!«t. 10$,

Sluiten