Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

IV. Afdeel xx.

Hoofdstuk.

Egaale Veelviyve. ry,

i

i.

Cynara Scolymus. Gewoon.

j

i

' i

! ]

504 Sam'enteelige Krl»il>en>

fchynt aan de gemaatigde Lugtffreek van Europa , Me en Noord - Amerika , bepaald te zyn. Geheel Afrika , Oost- en Westindie , is "ervan ontbloot. Men vindtze veel minder op deBergen, dan in Valeijen en vlakke Landsdouwen. Een vette Grond doetze veel hooier opfchieten ,. doch tot geluk des Menfchdorris bereiken de ontzaglyke kwetzende Doornen zelden meer dan eens Mans langte. Van de zagteDoorns en Diftelen komen 'er tot drie en vier Ellen , ja tot twaalf Voeten hoog voor, gelyk wy gezien hebben. Ik gaa nu ©ver to« een Geflagt derzelven , waar van het gebruik onder ons meer bekend is, genaamd

Cynara. Artisjok.

Dit wordt van dat der Doornen ondericheiien door een rappige uitgebreide Kelk, mee Vleezige Schubben , aan 't end uitgerand en :en puntje hebbende. De Soorten zyn vier als; vólgt.

Ci) Artisjok met eenigszins gedoomde, gevin* de en onverdeelde Bladen, de Kelkfchubben Eyrond.

In

(i) Cynara Fof. fubfpinoiTs pinnatis indlvifisque &c. Syfl. lat. xii. Gen. 928. p. jji, Veg. xiii. p. 607. GouArf Uonfp. 41$. H. CUff. R. Lugdb. &c, Cinara iylveftris laüalia. C. b. Pin. 384. Cm. Hoit. aculeata. C. b. Pin. 33. Scolymus Dioscor. Clus. Hifi. ii. ?. 153. ^ Cyn. Jott. Fol. non aculeatis. C. e. Pin, uts. Lob. Ic. u. 4.

Sluiten