is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding tot de plant- en kruidkunde [...] volgens het zamenstel van C. Linnaeus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j8 De Eigenschappen der Planten

Inlei ding.

OnderIcheid dei Klieren.

- Geweefzel opvullende , fomtyds op de Oppervlakte der Bladen uitpuilende, fomtyds aan den Rand Tandjes maakende of zittende aan de Steeltjes en in de Schil der Vrugten: fomtyds op een geregelde manier geplaatst, doch meest onregelmaatig verfpreid of famengehoopt. Veeltyds gaan dezelven vergezeld met kleine Haairtjes of Draadjes, welken hy houdt voor uitwerpende Buisjes.

De Verfcheidenheden , in deeze Klieren opgemerkt , leveren aan zyn Ed. zeven Afdeelingenuit, als volgt. i. De Geerstagtige Klieren worden dus genoemd , om dat het niet dan zeer kleine Stippen zyn , byna op dergelyke manier als de Geerstkliertjes in de Dieren famengehoopt. De Pyn- en Denneboomen hebben 'er van deezen aart. 2. 't St. Jans Kruid, de Oranje-boor men , Myrthcn en anderen, vertoonen Klieren, die naar zodanige Blaasjes gelyken, als op een Dier geformeerd worden door een tusfchen de Opperhuid en Huid uitgevaat Vogt, en derhalve noemt menze Blaasagtige Klieren. 3. Schubagtige Klieren zyn kleine Cirkelronde of langwerpige Plaatjes, welke zig, gelyk kleine Schubbetjes , verheffen boven de Oppervlakte der Bladen, 't welk men op de Bladen van 't Varen aantreft. 4. De Bolagtige hebben eene meer of min Klootronde geftalte. Men vindtze in holligheden van dergelyke figuur, inzonderheid in de Planten met gelipte Bloemen. 5. De Berkeboomen ,. Elzen , Terpenthynboom en anderen