Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o DE REPUBLIEK DER

XI.

boek.

1782.

Vlisfingn

oordeelt

dat d e

witte

aan het

Hof van

Justitie

moest

ovcraelc-

vet d wor-

den.

bekenden Vaandrigs , op geene wettige wyze, niettegenftaande zy 'er op hadden aangedrongen, eenige onderrigtingen kunnen bekomen. — Op dusdanig eene Verstandhouding wilden zy dat geftaan én 'er een Befluit daar toe ltrekkende genomen zou worden.

» De Raad van Vlisfingen, zo min als die van Zierikzee, op eene wettige wyze van den toedragt der zaake onderrigt, hadt nogthans, uit het geen 'er van openbaar was, zyns oordeels, genoegzaamen grond, om, te verklaaren, dat de Eer en Hoogheid van Zeeland vorderde, daar op een fpoedig Befluit te neemen , ten einde de zaak niet uit haar geheel gebragt of dit Gewest in gefchillen met Holland mogt ingewikkeld worden, als welk Gewest de witte reeds te rug gevorderd hadt. De onbevoegdheid van den Hoogen Krygsraad leedt by hun geen twyfel. De aart des Misdryfs, bepaald op het Eiland Schouwen gemunt, begreepen zy een aanflag te zyn niet tegen de Unie in 't algemeen; maar tegen de Hoogheid en Veiligheid van Zeeland in 't byzonder; eene Misdaad, welke, volgens den aart van het Bondgenoodfchap, tegen ieder Souverain kon gepleegd en diensvolgens ook door ieder behoorde beoordeeld en gcftraft te worden. Dat hun Ed. Mogenden mits dien den Vaandrig moesten te rug eifchen, om aan zodanig een Regtbank overgeleverd te worden als hun Èd. Mogenden daar toe be-i

voegdst

Sluiten