is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen uitgegeeven door de Maatschappy ter bevordering van den landbouw te Amsterdam.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*ts Over bet Perken

van het geen ik geloof, dat men doen karr^ om te beletten, dat 'er zoo veele lammeren in de fchaaphoederyen fterven. Het is my genoeg te doen zien, door bewyzen, die uit myne waarneemingen getrokken zyn, dat de ongemakken van het weêr niet meêr hebben meêgewerkt tot de dood der lammeren, die in myne Schaaphoedery zyn omgekomen, dan tot de dood van de lammeren, die in de ftallen zyn geftorven. Daarenboven, deeze lammeren, die in de open lucht zyn omgekomen, zyn niet op de koudfte dagen geftorven; ook niet verfcheiden te gelyk, zoo als dit ten opzichte van de jongften en van de zwakften zou gebeurd zyn , indien de koude hun dood had veroorzaakt.

Voor het overige, is het my onbekend, tot welken graad de lammeren, of de fchaapen van een meer gevorderden ouderdom de kou ■ de kunnen verdraagen. Ik heb alleeulyk gele' genheid gehad , om in 1768 waarteneemen, dat de vorst van veertien en een halven graaden, geen nadeel gedaan had aan kudden, waar in lammeren van negen of van tien maanden waren, als ook fchaapen van een verfchillenden en meer gevorderden ouderdom. Ik heb, in den voorleden winter, gezien, dat een lam, den twintigften van Jahuary gebooren , blootgefteld wierd aan een koude van vyf en een halven graaden, den tweeden dag

va»