is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweede proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde, door het genootschap Dulces ante omnia musæ

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

Taalkundige

rende goederen, die voor onroerende gehouden worden, en havelyke, dat zijn roerende goederen, en die daar voor ook gehouden worden ; het geen hier van onroerende goet van erftale en van erve gezegd wordt, moet zoo wel van het erfhaavlyke, als erflyke verftaan worden (58), daarom heeft men gedagt, dat door erftale, erfhaavlyke goederen gemeend worden, doch ik denk, wijl alle de drie gemelde woorden door elkander gebruikt worden, dat door allen moeten verftaan worden bona Jive natura five confuetudine immobilia: erftale ftaat niet by Kiiiaan: onder erflyke goederen worden begrepen Huyfen Cijnfen Renten of F'achten (59); met één woord, alle goederen die uit de natuur onroerende zijn: onder erfhaavlyke zijn vervat Huysraet, Silverwerck, Juweelen, Tennewerck, Coper-yverck , Tferwerck , Bedden , Gardynen, Sargym, Lijnnegewaet, Hout-werck (60), Cleederen, Cleynodien (61), ende voorts generalijck alle 't gene, dat fatfoen heeft (62), off tot fat-

foen

(58) Ibid. en Tic. VIII. art. 10.

(59) Tit. V art. 5.

(60) Tit. VIII. art. 10,

(61) Tit. XVII. art. 17.

(62) Tit. VIII. art. 10.