Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mknschheid. VIII. BOEK. 241

werd de Heer, dien ieder trouw en eerbied gezworen had, het voorwerp van zyne ontrouw en veragting, zo dra hy niet meer ryk, magtig en vreezelyk was.

Voor dat derhalven de Monarchale Regeeringsvorm ontftond, was de Staat lang twyfelagtig tusfehen het Despotismus en Anarchie. De Geestelykheid, welke tusfchen beiden ftond, begunlligde dan de eeme dan de andere.

Intusfchen verzachten zich allengs de gemoederen op de eene plaats meer, op de andere minder. Maar zwakke fchemeringen van Licht en Geleerdheid verfpreidden zich hier en daar. De oude Romeinfche Wetten werden uit onkunde van betere grondregels eerst van de Rechtsgeleerden, en eindelyk van de Vorsten aangenoomen.

Het Despotismus van het Priesterdom moest in den grond gefchud worden , zodra in den Staat benevens de Geestelyke Wetten noch andere ingevoerd wierden. De ftryd tusfchen de Wetgeving der Pauzen en der wereldlyke Monarchen had een onëindig gewichtig' gevolg. Zy fcheurde de Geleerdheid en de Wysgeerte van het erfdeel der Geestelykheid. De Leeken werden daar door tot navorfchingen aangezet, welke genoegen en vermaak verfchaften , en welke geduurig meer lust tot nieuwe ontdekkingen verwekten. Daar werden Gerichtshoven gefticht, daar de beminnaars der ontluikende Geleerdheid als PJchters en als Voorfpraaken, eer, aanzien en voordeelen bcgonden in te oogsten.

II. Deel. Q De

Sluiten