Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 OVER DE CHARAKTERKUNDE

reeds genoeg, om te beflisfen, van welken aart een Man is, tot welke infpanning zyn verftand, het vermogen van zynen geest, over 't algemeen komen kan, tot welke zyde van den zedelyken zin hy overhelt, hoe veel ik omtrent van hem mag verwachten. Zelfs daarin, ik weet het wel, zelfs daarin zyn niet alle Charakters eikanderen gelyk, en men moge evenredig den tyd korter of langer ppgeeven; het geheel onderzoek heeft echter over 't algemeen weinig zwarigheid. Maar heet dit: den Mensch kennen ? Willen wy ons vergenoegen met zulke weifelende denkbeelden ? Willen wy op de oppervlakte zwemmen, zonder verder de diepte in te gaan, en geene moeite doen, om de verborgene geheimen der ziel te doorgronden ? Zal het ons genoeg zyn, van de menfchenkennis eenige weinige niets beduidende woorden,te kunnen fpreeken, wanneer wy in alle de geheimen van deeze groote konst, voor welke ons leven te kort is, vreemdelingen blyven? Willen wy het der moeite waardig achten, om het grootfte gedeelte.van ons beftaan in deeze Waereld tot de zaaken , die buiten ons zyn, en tot derzelver kennis te befteeden; maar altyd de naarftigheid en den geest der waarneeming daar fchuwen, waar het op ons-zelven aankomt, en de aangelegenheden van ons eigen gedacht betreft? „ Het allergewichtiglte en opmerkenswaardigfte „ Wezen, dat zich op aarde aan onze befchou-

,, wingen voordoet, • is de Mensch. Een

„ zodanig Mensch, voor welken de mensch, voor „ welken zyne menschheid niet het gewichtigfte

„ is, die houd op, een mensch te zyn.

„ De Natuur kan niets vertoonen, dat volmaakter

„ en verhevener is. Het waardigfte voor-

„ werp der belpiegelirigen en de eenige

Waar*

Sluiten