is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaaringen der korte stellingen van Herman Boerhaave.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5-1402. DE KINDERPOKJENS. 24I

gustus aan deeze ziekte heeft gelegen, en welkers geheele hoofd op een wonderlyke wyze opgezwollen is, by welke de pokjens over het geheele lichaam in groote menigte zyn uitgebot, en het aangezigt zwaar bezet hebben gehad, blykt het genoeg, dat zy de te famen vloeijende pokjens heeft gehad, welke byna altyd de mismaaktheid agterlaaten. verfcheide andere zyn van 't zelfde gevoelen geweest, namentlyk dat de opening der pokjens zoude nadeelig zyn 00; welke alle op te noemen overbodig zyn zoude.

Wanneer de pokjens in 't tydperk der verettering zyn, wryven voornamentlyk de kinderen , verdrietig over deeze moeilykhedens het aangezigt fomtyds met de handen, en verfcheuren de nog niet rype puistjens; waar door de ryping belet word, 'er een korst word geboren, en de etter onder deeze korst ontftaan drukt dieper kuilen in het vel: fommige gevoelen een jeukte en als dan kan men de kinderen ter nauwer nood beletten dat zy'het aangezigt met de nagels ftuk krabben, ja zelfs, wanneer hunne handen gebonden zyn, het zelve tegen de kusfens wryven. dat dit nadeelig is, zal niemand ligtelyk ontkennen, maar wanneer de pokpuistjens niet zeer veel in getal zyn, laat men het werk gemakkelyk geheel en al aan de natuur over, dewyl men van weinig etter niets te vreezen heeft, ik beken intusfchen, dat ik niet ligtelyk begryp , waarom de pokjens doorgeftoken zynde , de kuilen dieper zouden worden, zo men voor de uitdroging door de lugt vreesde, zoude men ze met een zagte plyfter kunnen bedekken : daar en boven droogen de pokjens van zelf, en wel fehielyk uit, zo zy van een goede hoedanigheid zyn; nochtans blyven 'er naar het afvallen der korften geene de minfte putjens. maar ook verdient dit aangemerkt te worden, dat byna alle pokjens, welke de rug, de billen, de dyën en het agterfte gedeelte van de fcheenen bezetten, wanneer zy ryp zyn, door het leggen

en

00 Andry orthopedil Tom. II. pag. 156. Vyfbe Deel. Hh