Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELFDE GEZANG. ï.47

Noach, bij dezen weder Methufalem, zij vonden eikanderen weder onder ftraalcn, op fidderende graffteden , met het gevoel van het nieuwe leeven, in het hemelfche lighaam, het welk, als een betere metgezel der onftervelijke ziel, bijna met haar denkt, en gevoelt, in het welk de eeuwige ziel God aanfchouwt ! Gelijk de morgenfterren zich, na haare geboorte, over hunne aanwezendheid verheugden , en voor U , o fcheppende, feestvierend zongen, zoo zweefden Adams zoonen daar henen, en riepen juich toonen en blijdfchap, nieuwe blijdfchap eïkanderen toe! De ftreeken der opftanding wedergalmden van de verrukking der ont. Waakende dooden.

Noach , de tweede vader der menfchen , gevoelde het, dat hij werd, en in het zagter gewaai der avondfchemering ontwaakte. Een roodachtige damp onvlood den fchouder des onftervelijken, terwijl hij zich fnel ophief. Hij riep; Gij engelen, zegt het mij, gij engelen , is voor mij een lighaam , gelijk voor K 2 Adam?

Sluiten