is toegevoegd aan uw favorieten.

De Messias; heldendicht, in XX zangen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE GEZANG. 229

van het hulploos kind! En of zich eene vrouw ook niet over haaren zoon ontfermde ; echter zal God zich ontfermen! Heer, Heer, God! barmhartig en genadig, eeuwig gepreezen zij uw heerlijke naam, dat Gij mij, van de geboorte af, geboodt blind' te zijn ! dat Gij mij de volheid van fmerten gaaft, en traanen, en uwe godlijke afgezante , de ellende, mij toezondt, om mij te leeren ! dat Gij mij twijfelingen en droevenis der ziel toezondt, op dat ik diep in het leeven, in mijn binnenfte, gevoelen mogt, hoe zeer ik uwe hulp noodig heb! Doch moet ik U ook niet danken , afgezondene van God, helper in Juda? Maar (hier werd zijne ftem zwakker) Hij is dood ! Hij leeft! Dit riep met een omgekeerd hoofd, en met een fchitterend aangezicht , Job , Hij leeft! en met fpoed ftond hij op, en was geheel heerlijkheid van het toekomend leeven. Zie, Hij is niet dood meer, Hij leeft! en één der getuigen, dat Hij leeft! ben ik, dien Hij uit dien dood heeft opgewekt. Job. Ik leed, dat gelooft gij immers nu?

P 3 veel