is toegevoegd aan uw favorieten.

Heilige geographie of Aardrykskundige beschryving van alle de landen, enz. in de H.S. voorkomende.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

J

c

(

Is ook 5.eer ©n- j gerymt. |

(

1

r i

-J r i

De ware oogmerken, welke God in het voorfchry ven van dien Ceriinonieélendienft gehad heeft aangewezen.

32 De Godsdienft

Egyptenaaren de hunne niet aan de Hebreën medegeeclt, maar , benevens meer andere volken , van ;ezelven ontleent hebben.

Het is een gevoelen, het welk ook vol ongerymtleden fteekt. Ten voorbeelden ; de Tabernakel is imners gemaakt naar \ model, het welk door de Heere ïod zelve aan Mofes vertoont wierd op den berg SiMi Exod. XXV. 8,9. vergeleken met Hebr. VIII. 5. in geenzints na het model, hetwelk hy zelve gezien ad in de tempelen der Egyptenaaren. Ook zou het, n het laatfte geval, geheel onnodig zyn geweeft; dat Mofes zich veertig dagen by God op den berg ontouden had, om aangaande den toeftel en dienft des abernakcls nader onderwezen te worden ,* dewyl lem de omftandigheden naar de wyze der Egyptenaaren genoeg zyn bekent geweeft : ten ware Mow zulk een Godlyke ingeeving alleen voorgewent ladde ; naar de wyze der Heidenfche wetgevers , 3m zyne wetten des te meer kracht by te zetten ; tvaar aan echter elk Chriften gemoed , niet als met yerfchrikkinge , denken kan. En hoe zou de Heer God, de onderhouding van deze Cerimonieële wet , jan Ifraël zo ftreng geboden, cn, door de bedreiginge der zwaarftc ftraffeu , daarop aangedrongen hébDen , zo die zelve wet alleen uit eene toegevenheïd iit volk voorgefchreven was.

En men kan, gewislyk, ook geheele andere oogmerken ontdekken, °aan de Godlyke wysheid meer betamende, dan dat deze dienft zou gefchied zyn ter navolging van den afgodendienft der Egyptenaaren.

Voor eerft ; wilde God door zodanige werkzame en moeilyke wet , den weêrftrevigen aart van dit volk beteugelen , en hen , als losbandige kinderen , onder een ftrenge tucht houden. Hierom leert Paulus , dat de wet , om der overtredingen wille, by de belofte gefteltis; en datze was een tucbtmeefter, Gal.

III»