is toegevoegd aan uw favorieten.

Karel van Karelsberg of Tafereel van de menschelyke ellende.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112 KARÏÏI. VAN

„ Zie, wanneer wy ons fchofeltje ryst en ónl

kommetje water hebben, zyn wy verge„ noegd. Maar gy zyt gemelyk, al ftiat da „ geheele tafel vol fpyzen. De goud-dorst „ plaagt u-allen, en belet uwe vergenoeg.!-

heid. Ik ben in uwe ftad geweest, heb „ uwe levenswyze gezien, en begeer niet „ dezelve meer te zien. Byna alle maanden „ verhing'er zich een van uwe landslieden, „ of fchoot zich dood van verdriet en wan,, hoop. Vóór dat gy dit land hebt berree„ den, wist men by myne Natie nog niet „ wat zelfmoord was. Maar federt den tyd, „ dat gy hier geweest zyt, en ons zo zeer „ verdrukt, hoort men dat meenigëen zich „ het leven beneemt. Kuntgy or.s dan wel „ verdenken, dat wy lagchen?"

Ik. Ik kan fchier de arme menthen niet verdenken, en vind de gelykenij van den eerlyken ouden man zeer gepast.

Z. Ik gevoelde de waarheid van dezelve insgelyks, maar vervolgde desniettegenftaande en zeide: menfchen, die dit doen, zyn

zekerlyk noch gerust noch vergenoegd •

maar van deeze menfchen moet gy ook niet leeren.

En