is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1988, no. 662-693, 01-01-1988

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedragscode: een besluit van een of meer organisaties, representatief voor de sector waarop het besluit betrekking heeft, houdende in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gestelde regels of gedane aanbevelingen ten aanzien van persoonsregistraties;

Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

Registratiekamer: de Registratiekamer, ingesteld bij artikel 37.

Artikel 2. 1. Deze wet is niet van toepassing op: a. persoonsregistraties die naar hun aard voor persoonlijk of huiselijk gebruik bestemd zijn; b. persoonsregistraties die uitsluitend ten dienste staan van de openbare informatievoorziening door pers, radio of televisie; c. boeken en andere schriftelijke publikaties, alsmede catalogiseringen daarvan; d. persoonsregistraties die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet 1962 (Stb. 313). 2. Deze wet is niet van toepassing op openbare registers die bij de wet zijn ingesteld. 3. Deze wet is niet van toepassing op: a. persoonsregistraties, gehouden bij of ten behoeve van de inlichtingenen veiligheidsdiensten, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; b. persoonsregistraties, aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak, omschreven in artikel 28 van de Politiewet (Stb. 1957, 244). Artikel 3. 1. Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet worden gedaan door Onze Minister. Indien de maatregel mede een van Onze andere ministers aangaat, wordt de voordracht gedaan door Onze Minister en deze andere minister gezamenlijk. 2. Over het ontwerp van een maatregel wordt de Registratiekamer gehoord.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 4. 1. Een persoonsregistratie wordt slechts aangelegd voor een bepaald doel waartoe het belang van de houder redelijkerwijs aanleiding geeft. 2. Het doel van een persoonsregistratie mag niet in strijd zijn met de wet, de openbare orde of de goede zeden. Artikel 5. 1. Een persoonsregistratie bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig zijn verkregen en in overeenstemming zijn met het doel waarvoor de registratie is aangelegd. 2. De houder treft de nodige voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens. Artikel 6. 1. De opgenomen persoonsgegevens worden slechts gebruikt voor doeleinden die met het doel van de persoonsregistratie verenigbaar zijn. 2. Binnen de organisatie van de houder worden uiteen persoonsregistratie slechts gegevens verstrekt aan personen die ingevolge hun taak die gegevens mogen ontvangen. Artikel 7. 1. Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld inzake het opnemen in een persoonsregistratie van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit of intiem levensgedrag, alsmede persoonsgegevens van medische, psychologische, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard.